Het doel van de dressuur.

En een aantal aan dressuur gerelateerde begrippen.

"Rijd je paard voorwaarts en richt het recht!" Gustav Steinbrecht, meer informatie.

NB Ik heb een aantal begrippen cursief gemaakt, omdat ik die begrippen zo belangrijk vind. En volgens mij worden door een aantal wedstrijdruiters deze begrippen met voeten getreden. Zo erg zelfs dat het paardenrijden niets meer met een samenwerking met het paard te maken heeft!!


De dressuur heeft de harmonische ontwikkeling van het organisme en van de natuurlijke eigenschappen van het paard ten doel. Het paard wordt daarbij levendig, gehoorzaam en kalm in zijn bewegingen gemaakt, waarbij een volmaakte
harmonie met zijn ruiter tot stand komt.

Deze ontwikkeling wordt zichtbaar door:
- De ongedwongenheid en regelmaat van de gangen;
- De harmonie, de lichtheid en het gemak van de bewegingen;
- De lichtheid van de voorhand en het onderbrengen van de achterbenen, voortkomend uit een constant aanwezige drang naar voren;
- Het onvoorwaardelijk aannemen van het bit, waarbij geen weerstand of spanning optreedt, dat wil zeggen met een volledige ontspanning.

Het paard geeft aldus de indruk dat het uit vrije wil datgene doet wat hem word gevraagd, met vertrouwen en oplettendheid geeft het zich edelmoedig over aan de ruiter. Het paard blijft daarbij volkomen recht bij al zijn bewegingen op de rechte lijn en past zijn buiging aan, aan de bogen van alle andere lijnen.

Zijn stap is regelmatig, vrij en ontspannen.
Zijn draf is regelmatig, vrij, soepel, in verband en actief.
Zijn galop is regelmatig, licht en gecadanseerd.
Zijn achterhand moet in alle omstandigheden actief zijn.

Op de eerste vraag van de ruiter wordt deze actiever en verlevendigd daardoor de bewegingen van alle andere delen van het paard. Dankzij de steeds aanwezige impuls en de elastische buigzaamheid van zijn gewrichten, welke door geen enkele beperking worden tegengewerkt, gehoorzaamt het paard bereidwillig en zonder weifelen, met kalmte en stiptheid aan de verschillende hulpen van de ruiter. Het paard toont daarbij zowel geestelijk als fysiek een harmonisch en natuurlijk evenwicht.

Bij al het werk, met inbegrip van het halthouden, moet het paard in de hand gesteld zijn. Een paard is in de hand gesteld wanneer de hals, afhankelijk van de graad van africhting en de mate van verzameling in de gang, meer of minder opgericht en gewelfd is. Het paard toont daarbij gehoorzaamheid met een licht en soepel contact van de teugel en een algehele ontspannenheid. Het draagt het hoofd daarbij recht met de neus –in het algemeen- iets voor de loodlijn.

Het nekgewricht blijft daarbij soepel en de nek het hoogste punt van de hals. Het paard toont geen enkele weerstand ten opzichte van de ruiter.

De houding van het paard zal wisselen al naar gelang de mate van verzameling. Bij de, voor de verzamelde gangen noodzakelijke verzameling, moet de achterhand dalen. De licht gebogen hals mag daarbij niet korter worden, maar moet een hogere graad van oprichting tonen, waarbij de nek het hoogste punt moet blijven.

Het paard mag zich nooit tegen de aanleuning verzetten. Het moet steeds vol vertrouwen een lichte aanleuning naar voren zoeken. Daarbij moet de mond gesloten zijn; het paard moet het bit afkauwen. Het knarsen met de tanden of het zo nu en dan uitsteken of omhoogtrekken van de tong wordt als een kleine fout beschouwd. Daarentegen wordt het over het bit gooien van de tong en het langdurig uitsteken van de tong als een grotere fout beschouwd.

Onder cadans verstaat men de kracht, het tactmatige, ritmische en harmonieuze van de beweging.
Onder tact verstaat men de exacte regelmaat van de beweging: iedere pas beweegt hetzelfde.
Onder tempo verstaat men de snelheid van de beweging in alle gangen.

 

Ontspanning

Voordat je echt met je paard aan het werk kunt moet je natuurlijk eerst zorgen dat hij ontspannen is. Als het paard ontspannen is dan kunnen de spieren zonder verkramping werken, de bloedsomloop is geprikkeld, de doorbloeding verbeterd en het paard voelt zich ontspannen en op zijn gemak.

Om het paard te laten ontspannen moet je hem losrijden, want zo warm je hem op en maak je alle spiergroepen los.
Als je paard uit stal komt ga je eerst zo'n 10 minuten stappen aan de lange teugel, zo worden de spieren warm en de gewrichten soepel. Daarna ga je aandraven en lichtrijden en je laat hem ook wat grote voltes maken om hem soepel te krijgen. Je rond de hoeken af en je verandert iedere 4 tot 5 minuten van hand. Na de draf ga je naar de galop. Je kunt het beste veel overgangen rijden. Als je paard zich makkelijker in de galop ontspant mag je ook al wel eerder gaan galopperen, als je paard zich maar gaat ontspannen.

Als jouw paard een hele fijne galop heeft, kun je hem na de losstapfase ook losgalopperen.

Wat ook goede losmakende oefeningen zijn is het verruimen van de draf en de galop, het wijken voor de kuit, het longeren van je paard of hem los laten. Ook kun je met hem gaan buitenrijden of cavaletti-arbeid gaan doen en kleine sprongetjes maken.

De tekenen dat het paard ontspannen is zijn:
Het goed gebruiken van de rug
Het strekken van de hals
De taktmatige bewegingen
De lichte schuimvorming rond het bit
Het ontspannen dragen van de staart
Het eventuele proesten


Het vertrouwen dat het paard heeft in de ruiter leidt tot kalmte bij het paard. Kalmte leidt tot ontspanning.
Bij de ontspanning moet men onderscheid maken tussen de psychische en de fysieke ontspanning.


1. De psychische ontspanning.
Opdat het paard psychisch zou ontspannen mag het absoluut geen schrik hebben of kijkerig zijn. Men kan ook zeggen dat kalmte een uiting is van psychische ontspanning.

Om de gespannenheid/ontspanning bij een paard te herkennen kan men vooral letten op :
* het orenspel van het paard.
* de houding van het hoofd.
* de houding en beweging van de staart.
* de manier van bewegen.

Getrappel bij het stilstaan, op de tanden knarsen, voortdurend schudden met het hoofd, zich omdraaien bij het halthouden, snuiven, de oren in de nek leggen, zenuwachtig slaan met de staart zijn uitingen van psychische spanning.

2. De fysieke ontspanning.
Zonder psychische ontspanning is er geen fysieke ontspanning mogelijk. Het is bij het paard zoals bij de mens.
Een paard is fysiek gespannen als het alleen die spieren gebruikt die nodig en voldoende zijn voor de uitvoering van de gevraagde opdrachten. De ene spiergroep mag de andere niet tegenwerken.
Wat de ontspanning betreft bestaat er een innige samenwerking tussen de ruiter en het paard. Hoe hoger het paard in het bloed staat, hoe meer dit tot uiting komt.

LET OP : verwar ontspanning en kalmte niet met futloosheid en/of lamlendigheid. Een kalm en ontspannen paard moet evengoed alert, levendig en energiek blijven.
Ontspanning leidt tot soepelheid en die is absoluut nodig voor de adequate of de gepaste inspanning. De soepelheid is nodig en moet tot uiting komen bij al de basisprincipes van de rijkunst.
Men kan dus gerust stellen dat zonder ontspanning men niet tot een adequate inspanning komt. Gehoorzaamheid en ontspanning leiden tot het volgende principe in de rijkunst : de regelmaat.

Regelmaat

De regelmatigheid of de regelmaat in de bewegingen uit zich door gelijkmatigheid in de steun- en zweeffase van de benen in de verschillende gangwijzen en door het behoud van hetzelfde tempo in de verschillende gangmaten en tijdens het uitvoeren van de opdrachten.

De regelmaat kan voornamelijk gecontroleerd worden op volgende oefeningen :
* Bij de overgangen. Deze gaan dikwijls gepaard met een verandering in tempo. Het versnellen van de beenzetting voor het aanspringen in galop. Het vertragen van de beenzetting voor het uitvoeren van de keertwending op de achterhand.

* Bij het rijden van voltes of cirkels wordt de regelmaat vnl. in de tweede helft van de volte verloren. Reden hiervoor is meestal het omtrekken van het paard met de binnenteugel .

* Bij het van hand veranderen over de diagonaal en ook hier weer in de tweede helft van de diagonaal. De reden hiervoor ligt meestal ook bij de ruiter die het paard stoort in rug of mond :
- In de rug : de ruiter gaat niet meer mee met de welvingen van de lenden van het paard. Het paard wordt onregelmatig.
- In de mond : de ruiter gaat met de handen, langs de teugels, steun zoeken op de mond van het paard. Hij gaat aan de teugels trekken, waardoor het paard gehinderd wordt en onregelmatig wordt.

In een dressuurproef worden bepaalde onregelmatigheden als zeer zware fouten beschouwd :
• Tijdens de stap :
- In draf aangaan.
- Telgang ( de telgang op zichzelf kan regelmatig zijn, doch wordt niet in de dressuur geaccepteerd )

• Tijdens de draf :
- Een voorbeen hoger heffen dan het andere.
- Bij de uitgestrekte draf het overstrekken van de voorvoeten (de voeten komen dus niet meer neer op de plaats waar ze naartoe wijzen)

• Tijdens de galop :
- 0verkruis gaan, de voorbenen zijn in de andere galop dan de achterbenen.
-Galop in viertempi. De galop moet een 3 tact beweging zijn, 4 tact komt voort uit een gebroken buitendiagonaal.
- Uit de galop vallen

Het is logisch dat bepaalde onregelmatigheden ook gepaard kunnen gaan met een ongehoorzaamheid. En vaak voortkomen uit verzet!!

Aanleuning

Je moet je paard na het losrijden eerst nageeflijk maken voordat je echt met hem aan het werk gaat, want als je hem te snel gaat verzamelen dan wordt hij meestal overvraagt. Nageeflijk betekend dat het paard in evenwicht aan de teugel loopt, goed op je hulpen reageert en de aanhoudingen via de mond door de hals en de rug op de achterhand inwerken.

Je moet je paard vanuit het halsstrekken door middel van halve ophoudingen aan de teugel rijden, maar hoe doe je dat precies?

Een manier die vaak erg goed werkt is deze: je rijd op een grote volte en laat het paard de hals strekken. Je vraagt stelling en neemt de binnenteugel iets aan, je drijft met je binnenkuit aan en dan ontspan je je binnenhand weer. Je moet nooit gaan terugwerken met je hand of te veel met je gewichtshulpen willen doen! Als je paard eenmaal aan de teugel loopt dan ga je de aanleuning steeds meer bevestigen en lichter maken. Je gaat nu de volte steeds minder rond maken. Je gebruikt dus een steeds groter deel van de bak en op een gegeven moment rijd je de hele bak gewoon rond. Je kunt iedere hoek gebruiken om de aanleuning en de buigzaamheid te verbeteren. Je vraagt gewoon stelling voordat je de hoek in gaat en neemt dus de binnenteugel licht aan, als je de hoek dan inrijd dan drijf je het paard aan (in de takt van de beweging) en als je dan in het midden van de wending zit dan ontspan je je binnenhand weer. Nu rijd je de hoek weer uit en je stelt je paard weer recht.
Je paard moet met zijn hoofd net iets voor de loodlijn zitten,
hij mag ook wel achter de loodlijn zitten, maar dan alleen als je zijn hoofd ook weer ieder moment voor de loodlijn kan krijgen, want als dit niet lukt dan loopt je paard achter de teugel en onttrekt hij zich dus aan je hulpen.

De hulpen


Om paard te kunnen rijden moet je met het paard kunnen communiceren. Hiervoor gebruik je verschillende lichaamsdelen, zoals handen, benen en lichaamsgewicht, maar ook je stem, de zweep en eventueel sporen. Dit noem je ook wel de hulpen. Je mag hulpen NOOIT overdrijven, als je bijvoorbeeld met je lichaamsgewicht mee opzij wilt gaan, dan moet je bv niet helemaal naast het paard gaan hangen.

Hulpen gebruik je nooit alleen. Je gebruikt altijd meerdere hulpen tegelijk! En vooral: de hulpen mogen elkaar natuurlijk NOOIT tegenwerken!

De benenhulpen

Ook de benen kun je tegelijk of afzonderlijk gebruiken. Je gebruikt de benen om de impuls te stimuleren, de voorwaartse beweging te verhogen, de zijwaartse verplaatsing aan te geven en de achterhand te controleren. Je gebruikt de benen niet ononderbroken door druk met de kuiten of 'prikjes' met de kuiten of hakken.
Wat je met je benen kan doen:
- Naar een snellere gang overgaan
- De gang verruimen
- De achterbenen ook in de overgangen actief laten blijven
- De achterhand zijwaarts plaatsen
- Meewerken aan de buiging van het lichaam

De teugelhulpen

Je mag natuurlijk nooit alleen met je teugels een bepaalde hulp geven! Altijd geef je tegelijk een beenhulp, of iets anders. Je kan je handen tegelijk of afzonderlijk gebruiken!
Wat je met je handen kan doen:
- Het paard draaien, of een andere richting op laten gaan
- Het paard halt laten houden
- De snelheid regelen, dus het paard versnellen of vertragen
- De houding van het paard veranderen, bijvoorbeeld de buiging
- Het evenwicht van het paard beïnvloeden, door het paard meer of minder gewicht op de achterhand te laten nemen.
- Niet te vergeten kun je met je handen ook het paard belonen en gerust stellen


De gewichts- en zithulpen

Door de zit, dus de houding van de ruiter in het zadel werkt je lichaamsgewicht in op het evenwicht van het paard, op de snelheid en op de zijwaartse verplaatsingen. Dit is ook de reden waarom je een goede houding moet hebben, dus recht moet zitten enz., want anders zal het paard uit evenwicht raken.

Wat je met het lichaamsgewicht kan doen:
- Meedraaien terwijl je in de richting kijkt waar je naartoe gaat
- Vertragen, door je bovenlichaam op te richten
- Bij het zijwaarts gaan het lichaam mee opzij laten gaan, waardoor het paard makkelijker zijwaarts gaat.



Arbeid op de hoefslag


De meeste mensen gaan zich nu afvragen "wat is er nu moeilijk aan de hoefslag volgen" Wel vele mensen zitten op hun paard terwijl het over die hoefslag loopt en doen zelf niks. Het paard wordt immers aangetrokken door de wand en blijft er tegen "plakken". Als je nu eens naar een dressuurproef kijkt, daar zie je kleine witte hekjes, dus géén hoge wanden om tegen te kleven.

De hoefslag bestaat uit 2 lange zijden, 2 korte en 4 hoeken. Op de lange zijden moet het paard rechtgericht zijn. In de hoeken naar binnen en het hele lichaam moet gebogen zijn om het binnenbeen en alles wordt opgevangen in de buitenteugel. Begrens de achterhand tegen uitzwaaien door je buitenbeen achteruit te leggen.
Om te zien of jouw paard ook tegen de wand "kleeft", kun je de volgende oefening uitproberen: op de binnenhoefslag rijden. Dat is het pad naast de gewone hoefslag, maar 2 meter naar binnen. Probeer dan je paard maar even recht te richten. Waarschijnlijk gaat hij proberen naar de wand toe te trekken.

Het is dus een goede oefening om vaak de binnenhoefslag te nemen, rij ondertussen ook nog figuren zoals de middellijn en diagonaal en voltes. Nu wordt het pas echt moeilijk. Probeer eraan te denken dat je overal even ver verwijderd blijft van de hoefslag.
In sommige dressuurproeven zul je wel eens denken waarom er punten staan op een stukje waarbij je alleen maar op de hoefslag blijft en enkele hoeken doorrijdt. Wel dat is de basis eigenlijk. Zonder de hoefslag kun je de andere figuren ook niet. of toch niet zo makkelijk.

 

Arbeidstempo

In het arbeidstempo loopt het paard "gewoon". Hij moet soms meer gewicht op zijn achterhand nemen. De arbeidsgangen zijn heel goed om figuren mee te rijden en ze zijn een nuttige basis voor gymnastische oefeningen. Je moet het arbeidstempo alleen niet als een doel zien, je moet namelijk altijd naar de meer verzamelde gangen toe proberen te rijden, maar als je paard dit nog niet aankan dan moet je voorlopig eerst nog in het arbeidstempo rijden.


Stelling

Een paard loopt in de rechter- of linkerstelling wanneer er een lichte buiging van hals een van beide zijden is. We spreken over linker- of rechterstelling van het hoofd als het paard zijn hoofd ten opzichte van zijn hals wat naar links of rechts plaatst zonder het te kantelen.

Buiging

We spreken over buiging als de wervelkolom vanaf de schoft tot aan de staartinplant naar een kant ingebogen is.

De houding van het paard

Wat we in feite willen bereiken met dressuur is een goede houding en manier van gaan van het paard.
Er zijn enkele hoofdpunten om dit te bereiken:
1. het paard moet voorwaarts reageren op de benen.
2. soepele losse spieren in rug, romp en hals. Besteed genoeg tijd aan losrijden en versoepelingsoefeningen. Het is makkelijk getruceerd te gaan rijden, maar dit kweekt alleen maar de verkeerde spieren.
3. als het paard voorwaarts is en los in alle spieren, zal hij via de teugels een zacht gelijkmatig contact accepteren. Hij mag geen steun zoeken op de handen.


De weerstand biedende hand

Het is lastig als het paard zichzelf vastzet in de mond-nek-halspartij. Het kauwen op het bit is namelijk heel erg belangrijk, want zo staat het paard goed aan de hulpen, het zal reageren op een kleine hulp en zal zich ontspannen.
Biedt dus voorzichtig weerstand op de mond via de teugel.
Als het paard hierop reageert moet je de teugelhulp gelijk stoppen als beloning.
Hoe maak je een paard duidelijk dat hij nageeflijk moet worden? Dit is een van de grootste problemen van het paardrijden en ook een van de meest onderschatte.

Het paard moet iets leren, dat tegen zijn natuur ingaat. Zijn natuurlijke reactie is terugduwen en dan doet hij automatisch zelf zijn mond pijn. Als reactie op deze pijn ontstaan allerlei mondproblemen en vervolgens meestal ook nog een vastgezette rug. Een methode om het paard te leren nageeflijk te worden is het weerstand bieden met de hand.
Dit betekent dat de ruiter tijdelijk, door het sluiten (dichtknijpen) van de vingers de spanning op de teugel gaat vergroten. Het doel hiervan is het paard (te dwingen is een lelijk woord, dus zeggen we:) "uit te nodigen" de spanning terug te brengen en dus "nageeflijk" te worden. De weerstand die de hand biedt is net iets groter dan de weerstand die het paard terug geeft.

Let erop dat je niet teveel spanning op de teugel zet. Een paard is erg sterk en paarden die in paniek raken kunnen hele rare dingen doen. Geef hem even de tijd om uit te zoeken wat je bedoelt. Hij moet leren begrijpen dat het niet jouw bedoeling is om zijn mond pijn te doen, maar dat hij moet nageven.
Zodra het paard nageeft, moet de hand onmiddellijk ontspannen, anders vraag je om verzet. Als de hand van de ruiter namelijk doorgaat met spanning opbouwen krijgt het paard zijn verdiende beloning: "GEEN PIJN IN DE MOND" niet.
Probeer dit in eerste instantie tijdens het halt houden. Wanneer het paard nageeft beloon hem dan. Maak hem duidelijk dat dit is wat je bedoelt.

Het aan de teugel gaan


Bij het aan de teugel gaan loopt het paard goed door de rug heen, hij is durchlässig, dat houdt in dat de stuwkracht vanaf de achterhand komt, hij loopt dus met zijn achterhand goed dragend. Bij het doorzitten merk je ook dat het paard lekkerder zit, hij stuitert minder, als het goed is, doordat hij zijn rug niet wegdrukt.
Hij moet dus goed ontspannen zijn. Maar hoe krijg je een paard nou aan de teugel? Dit doe je dus absoluut NIET door te zagen!
Zagen is dat je steeds aan de linker en dan aan de rechter teugel trekt, en dit is echt NIET de bedoeling, je doet het paard er alleen maar pijn mee. Doordat het zeer doet zal hij zijn hals wel afbuigen, dus lijkt hij misschien aan de teugel te lopen, maar hij is absoluut niet ontspannen, en durchlässig! Doe dit dus nooit!!!

Je kan nog beter een paard niet aan de teugel rijden, dan doen alsof je hem aan de teugel rijd, maar het dus niet op de goede manier doen, dus door te zagen.
Maar hoe doe je het dan wel zul je je afvragen. Nou, dat is niet zo makkelijk om via een tekstje uit te leggen, omdat ieder paard anders reageert, en niet ieder paard zul je dus via de standaardmanier kunnen rijden, maar die manier moet wel het uitgangspunt zijn. Het belangrijkste is het voorwaarts gaan, dus laat het paard lekker doordraven, natuurlijk moet hij ook niet overhaast gaan, maar het tempo moet wel vlot zijn. Doe het als volgt: ga in draf en drijf met je binnenbeen goed aan, met je buitenhand houdt je het tempo echter wel onder controle! Ook als je op een paard rijd die eerder te snel gaat dan te langzaam moet je niet vergeten te drijven, want door het drijven zorg je dat het paard de achterhand meer onder zich brengt! Vervolgens vraag je met je binnenhand een beetje stelling en speel je ook met je binnenhand. Dit spelen is geen trekken, je kunt het vergelijken met het uitknijpen van een spons. Doet het paard wat je vraagt, dus gaat hij aan de teugel, dan moet je nageven. Dit doe je niet door je armen naar voren te strekken ofzo, maar gewoon door op te houden met vragen, dus je hand te ontspannen. Met de buitenteugel blijf je het tempo onderhouden, want je moet wel blijven drijven! Je binnenhand kun je ontspannen, totdat hij omhoog wil komen, en dan bied je weer weerstand.
Dit is dus de standaardmanier, niet ieder paard zal hier helemaal goed op reageren, je zult moeten aanvoelen hoe duidelijk je de hulpen moet geven, want ook dit is bij elk paard anders. Maar nogmaals, forceer niets, je rijdt beter met een paard die niet aan de teugel loopt dan met een paard die de teugel probeert te ontwijken, omdat je hem er pijn in de mond mee doet!


Achterwaarts gaan

Het achterwaarts gaan moet recht, aan de teugel, met een diagonale beenzetting en nageeflijk gaan. De hulpen zijn hetzelfde als bij voorwaarts, alleen sta je met je handen niet toe. Na een pas ontspan je je hand weer en bij iedere pas herhaal je de hulpen.

Even voor de duidelijkheid:
Je laat het paard halthouden. Dan leg je beide benen een fractie naar achteren. Je drijft nu met beide benen tegelijk aan, maar houdt hem met je handen tegen. Ga NIET trekken, maar sluit het paard gewoon op. Je zorgt dus gewoon dat hij niet naar voren kan gaan. Als het paard naar achteren gaat moet je de teugels ontspannen. Je benen blijven naar achteren liggen! Wil je nog een pas drijf je weer aan, terwijl je met je handen het paard weer tegenhoud, zodat hij niet voorwaarts, maar achterwaarts gaat. Vergeet niet ook weer te ontspannen met je handen!
Vraag nooit te lange stukken achterwaarts, een paar passen is ruim voldoende!

Op de voorhand lopen

Als iemand zegt dat een paard op de voorhand loopt dan wordt er bedoelt dat hij te veel gewicht op zijn voorvoeten neemt en te weinig op zijn achterhand. Hij gebruikt zijn achterhand als hij meer gewicht neemt op alle gewrichten op de achterbenen.


De zijgangen:

Wijken voor de eenzijdige kuitdruk

Het paard is geheel recht, behalve een lichte stelling, zodanig dat de ruiter net de wenkbrauw en het neusgat aan de kant van de stelling kan zien. De benen aan de binnenzijde kruisen de benen aan de buitenzijde. Het paard kijkt in de richting waar hij vandaan komt.

Het wijken voor het been is de fundamentele basis voor het werk op twee hoefslagen en moet worden begonnen bij de training van een paard, voordat het klaar is voor verzameld werk. Daarna, gecombineerd met het schouderbinnenwaarts, een meer gevorderde oefening, is het wijken voor het been het beste middel om een paard soepel, vrij en ontspannen te maken. Het verbetert de ongedwongenheid, de veerkracht en de regelmaat van de gangen en ook de harmonie, de lichtheid en het gemak van de bewegingen. Bij het wijken voor het been moet het paard zo parallel mogelijk aan de lange zijde van de rijbaan blijven de voorhand moet daarbij in zeer geringe mate voor de achterhand blijven.
Het arbeidstempo dient gehandhaafd te worden.
Teveel halsbuiging, een kantelend hoofd, of onregelmatig gaan zijn grote fouten.

Schoudervoor

Bedoeling:
-belangrijkste doel: het paard rechtrichten.
-Voorbereiden op schouderbinnenwaarts
-Leren nageven op de binnenteugel

Houding van het paard:
-het binnenachterbeen loopt - van voren gezien - tussen de beide voorbenen. Het paard gaat op 4 sporen.
-De voorhand is dus extra voor de achterhand geplaatst; het paard is lichtjes gebogen.

Houding van de ruiter:
-een halve ophouding geven op beide teugels
-met de beide teugels,de voorhand naar binnen plaatsen
-de binnenteugel regelmatig nageven
-de buitenteugel begrenst

Een veel gemaakte fout :
-te veel buiging.

Oorzaak: te sterk buitenbeen, of te sterk binnenteugel, of onvoldoende begrenzing op de buitenteugel.

Hoe verbeter je dat?
-wel teugeldruk geven op binnenteugel maar niet te sterk.
-meer en geregeld nagaven op de binnenteugel en voldoende begrenzen op de buitenteugel.


Schouder binnenwaarts


Schouder binnenwaarts is een zijwaartse / voorwaartse oefening. Bij de schouder binnenwaarts wordt de voorhand naar binnen gebracht, naar de binnenhoefslag. De achterbenen blijven wel gewoon in de hoefslag lopen.
De buitenvoorvoet komt op de plaats van de binnenvoet. Van de voorkant gezien loopt de buitendiagonaal achter elkaar. Het paard loopt op 3 sporen.

Travers

Bij de travers kijkt het paard naar de richting waarin hij zich beweegt. Als je op de linkerhand rijd houdt dit in dat het paard in zijn lengte as naar links in gebogen met de voorhand op de hoefslag en de achterhand in een hoek van ongeveer 30 graden of iets groter. Bij de travers gaat het paard op 4 sporen. Bij de training kun je vaak het beste met een kleinere hoek genoegen nemen om zo de voorwaartse drang van het paard te stimuleren.
Je moet het paard met de zit en met beide kuiten goed voorwaarts houden. Je binnenbeen blijft op de singel en ondersteunt de buiging van het paard. Met je buitenbeen iets terug drijf je het paard in de gewenste buiging. Met je binnenhand vraag je stelling. Je moet je hand wel goed elastisch houden en de voorwaartse drang niet tegenwerken. Met je buitenhand moet je zo ver toestaan dat de buiging van de hals goed overeenkomt met de buiging van de rest van het lichaam van je paard. Je hebt je gewicht iets meer op je binnenzitbeenknobbel gebracht, zodat je de beweging van de achterbenen van het paard ondersteunt en correct boven het zwaartepunt van het paard zit.
Je moet niet het idee krijgen dat je de achterhand heel erg opzij duwt, maar je moet juist het gevoel hebben dat je de achterhand onder de massa drijft en dat is niet eenvoudig bij de travers! Als je het paard namelijk te ver door laat buigen dan duw je de achterhand van de massa weg en wordt het paard juist stijf in plaats van buigzaam. Ook kan het paard met de schouder naar buiten tegen de wand aanvallen en zich zo onttrekken aan de gevraagde buiging! Om te controleren of het paard de oefening goed doet kun je de travers op de AC-lijn proberen, want dan kun je onmiddelijk zien als er wat fout is.

Renvers

Renvers is een oefening die niet in een van de proeven voorkomt, maar wel een mooie zijgang is om in een kür te laten zien. Bij de renvers is de voorhand van de hoefslag en de achterhand op de hoefslag, dit is dus eigenlijk het spiegelbeeld van de travers.
Als je op de linkerhand rijdt is het paard naar rechts gebogen om het binnenbeen van de ruiter, die dus op de singel ligt. Met de zit en beide benen houd je het paard goed voorwaarts. De rechterkuit ondersteunt dus de buiging en de linkerkuit ligt iets terug en drijft voorwaarts en zijwaarts. Je zit wat meer op je rechterzitbeenknobbel. Met de rechterhand vraag je stelling en buiging en de linkerhand staat deze stelling en buiging toe en behoudt verder het natuurlijke contact.
Ook de renvers is net als de travers een goede verzamelende oefening en bij de renvers is de fout van het wegduwen van de achterhand veel minder snel gemaakt.

Appuyement

Het appuyement is een oefening op 2 hoefslagen, waarbij het paard zich diagonaal voorwaarts en zijwaarts voortbeweegt.


Verzamelde gangen


Als je paard verzameld is dan neemt hij duidelijk meer gewicht op de achterhand. De passen zijn minder ruim, minder uitgestrekt, maar meer verheven en het paard krijgt een trotse en mooie houding. Het contact met het bit is heel licht !!!!! en je kunt veel kleinere en moeilijkere figuren rijden. Je hebt meer controle over je paard, en daardoor is het heel nuttig bij de training. Vooral de stap is heel moeilijk verzameld te rijden, alleen een goedgetraind paard zal dit goed kunnen uitvoeren.


Het uitvoeren van de overgangen in oefening en beweging

Bij het ingaan van een volte vanuit schouder-binnenwaarts met een doorgaande en vloeiende beweging de volte in te gaan (dus niet eerst recht stellen). Wanneer bij het einde van de volte wordt overgegaan naar schouder-binnenwaarts of travers mag het paard niet tussentijds recht worden gesteld, doch dient met een doorgaande en vloeiende beweging in de gevraagde oefening te worden gebracht.

Vanuit het achterwaarts gaan dient het paard onmiddelijk met een doorgaande en vloeiende beweging voorwaarts in de gevraagde gang te worden gebracht. De overgangen van verzamelde galop naar midden- of uitgestrekte stap, dient onmiddelijk met een doorgaande vloeiende beweging getoond te worden (dus niet via de verzamelde stap).

Contragalop


Contragalop is galop waarbij het paard eigenlijk op de verkeerde hand zit. Het paard zal daarbij dus niet met zijn binnenbeen het verst vooruit grijpen, maar met het buitenbeen. Let wel op: het is niet zo dat als het paard in de verkeerde galop aanspringt dat het dan contragalop is, je moet er wel zelf de hulpen voor hebben gegeven!

Voordat je contragalop gaat rijden moet je het paard eerst in stap met een klein beetje stelling naar buiten rijden, ook door de hoeken. Je moet de hoeken hierbij wel een beetje afsnijden, zodat de hoek niet al te scherp wordt. Als dit allemaal goed gaat kun je het in draf gaan proberen. Als je op de volte gaat moet je met de binnenkuit en de knie de holle zijde van het paard op de volte houden. Ook bij de contrastelling, dus de stelling naar buiten mag je de hals van het paard niet omtrekken. De hals mag dus niet meer ingebogen worden dan dat de wervelkolom toestaat! Eerst oefen je de contrastelling maar op één hand en pas als het paard je goed begrijpt ga je het op de andere hand ook proberen. Als ook dit goed lukt kun je met het paard in contragalop aanspringen. Door het voorbereidende werk zal dit zonder al te veel problemen lukken. Je moet natuurlijk wel correct stil blijven zitten, dus met het gewicht op de stijgbeugel aan de holle kant. Ook moet je de hoeken afronden, want anders wordt het ineens te moeilijk. Daarna vang je het paard op en beloon je hem, je moet vooral niet vergeten om het paard te laten strekken en ontspannen!

Het beste kun je het voor de eerste keer maar op één hand doen en pas de volgende dag op de andere hand proberen. Zo kan het paard deze les eerst goed verwerken.
Alle oefeningen die in contrastelling gereden worden behoren tot de verzamelde arbeid. Het paard moet dus eerst de verzamelde gangen goed onder de knie hebben voordat je met de contrastelling kan beginnen, want paarden hebben tijdens de contrastelling nogal de neiging om zich op de voorhand te gooien en zich zo aan de verzameling te onttrekken. LET OP: je belast in het begin de holle zijde van het paard meer dan de bolle zijde, maar je moet er wel op letten dat je hierbij NIET de heup intrekt!

Een andere manier om contragalop aan te leren is door in galop te gaan en aan het einde van een lange zijde een links- of rechtsomkeerd te rijden, zonder dat je van galop wisselt.

Wat je natuurlijk ook kan doen, als je het heel rustig aan even wilt bekijken hoe je paard op de contragalop reageert is in de goede galop gaan en dan een hele flauwe gebroken lijn rijden. Die gebroken lijn kun je vervolgens steeds iets groter maken als je paard het aankan. In de bocht van de grote lijn zit het paard dan namelijk even in contragalop. En als je maar een heel klein beetje van de hoefslag afkomt is de bocht heel flauw en zal het paard er weinig moeite mee hebben, maar hoe verder je van de hoefslag afgaat, hoe scherper de bocht zal worden, dus hoe moeilijker het wordt!

Contragalop is eigenlijk een soort controle oefening, en wel om te kijken of je paard lening en gehoorzaam is aan jouw hulpen.

De eenvoudige galopwisseling

Dit is een wisseling waarin het paard van de galop in de stap gaat en na twee of ten hoogste vier stappassen direct in de andere galop aanspringt. De wisseling dient zonder draf of stokkende overgang uigevoerd te worden.


De vliegende galopwisseling, changement of simpel : wissel

Dit is een galopwisseling uitgevoerd in het zweefmoment dat volgt na iedere galopsprong. Tijdens de galopwisseling moet het paard licht, kalm en recht blijven met een altijd aanwezige impuls. De cadans en het evenwicht mogen tijdens de gehele oefening niet veranderen. De graad van verzameling tijdens de wissel zal iets anders kunnen zijn dan die welke normaal in de verzamelde galop gevraagd wordt, ten einde een verkorting van de sprong en een vermindering van de ontspanning van de wissel te vermijden. De ruiterhulpen moeten daarbij correct, maar niet opvallend zijn.

Het omspringen moet (zonder dat het paard in de galopwissel scheef gesteld of omgegooid wordt) met voor-en achterbenen in hetzelfde ogenblik gebeuren, dus nooit met de voorbenen na de achterbenen of omgekeerd.


Welke hulpen waarvoor?


Zit en rug van de ruiter:
* ritme
* takt
* positie van het paardenlichaam
* lengte van de passen
* neerwaartse overgangen

Benen:
* voorwaartse beweging
* impuls
* positie van de achterbenen

Teugels:
* buiging
* hoogte van de hals en de nek
* lengte van de hals
* opvangen van de voorwaartse impuls van de achterhand
* positie van de voorhand