''Rijden is geen krachtsport, rijden is gevoel''.

 

Arthur Kottas-Heldenberg kreeg in 1981 de functie van Oberbereiter bij de Spaanse Rijschool in Wenen. Hij werd de jongste chef van alle ruiters ooit in de geschiedenis van de Spaanse Rijschool en heeft er 40 jaar gewerkt. Hij heeft veel ruiters en Lippizaner-hengsten in die tijd opgeleid.

Zijn uitgangspunten:

  • De onafhankelijke zit is het allerbelangrijkste, dus . . op naar de zitles!!

  • Harmonie tussen ruiter en paard is het doel van de dressuur, waarbij hij de onafhankelijke zit het allerbelangrijkste vindt. Zonder onafhankelijke zit van de ruiter kan het paard niet goed onder de ruiter bewegen. Als je bv. niet kunt doorzitten zonder het paard te hinderen, zal het paard zijn rug namelijk spannen. Je beide zitbeenknobbels moeten altijd aan het zadel zijn bij de dressuur. Een goede oefening is om zonder beugels te rijden.

  • Rijden is geen krachtsport, rijden is gevoel

  • Een ruiter moet op gevoel zijn zit-, gewichts-, kuit en teugelhulpen goed coördineren en timen om het paard te begeleiden in het doen van de dressuuroefeningen. Daarbij is de hand altijd de laatste hulpgeving, eerst zit, been, bovenlichaam en gewicht gebruiken.

  • Het is niet belangrijk hoe lang je rijdt, maar hoe je rijdt.

  • Er zijn twee soorten ruiters: goede en slechte. Goede ruiters hebben een goede basis, hebben een onafhankelijke zit, rijden met gevoel en zitten als het ware IN het paard ipv OP het paard.
  • Ideaal is om een paard 2x per dag te rijden, waarbij je ’s morgens het paard naar ontspanning rijdt en ’s middags het paard wat meer aan het werk zet.

  • De basis moet solide zijn

  • Een huis bouw je ook niet op drijfzand maar op een solide vaste ondergrond. Goede ruiters geven hun paard een goede basis. In de eerste fase moet een paard leren zijn evenwicht onder de ruiter te bewaren, recht kunnen lopen met een goede zelfhouding, op elke plek een overgang kunnen maken en als het ware een eenvoudige B-proef moeten kunnen rijden. In de tweede fase kun je hierop verder bouwen met de zijgangen en het verzamelen waarbij de achterhand meer gaat buigen en meer gewicht gaat dragen. In de volgende fase kun je weer ’’een verdieping hoger’’ met de contragalop, de wissels enz.

  • Het paard moet vlijtig bewegen.Vlijtig betekent niet dat het paard snel moet lopen met korte passen. Het paard moet met grote passen met voldoende drang vanuit de achterhand door de rijbaan lopen. Om een oefening met dezelfde vlijtigheid en gelijkmatig en takt en tempo te rijden, raadt hij de ruiter aan mee te tellen om het ritme te bewaren: 1,2,3,4 in de (verzamelde) stap of 1,2,1,2 in de draf.
  • Afwisseling. Heel goed is het om de dressuur af te wisselen met buitenrijden, cavaletti-werk, rijden in verlichtte zit en een sprongetje. Bij alles wat je een paard wilt aanleren moet je fair en consequent zijn. Als je buitengaat rijden moet je dus niet anders gaan rijden als in de rijbaan: ook dan moet je controle houden over richting en tempo, moet het paard recht lopen, correct inbuigen en zijn rug laten deinen.